De glorie van de Asser T.T.

aaaaaaaaaaa

Waar denkt u aan bij de woorden `Asser TT"? Aan een gigantische mensenmassa die tribunes en taluds bevolken, die laatste zaterdag in juni, aan ren­ners als Hans Spaan, Wilco Zeelen­berg, Kevin Schwantz en Randy Mamola? Of denkt u eerder aan de gouden motortijden van weleer met buitenlandse renners als Stanley Woods, Jimmy Guthrie, Georg Meier, Dorino Serafini, Geoffrey Duke en Werner Haas? Wim Marijnis blikt terug op een racehistorie van inter­nationale faam en allure.
Nostalgische gevoelens
Talloos zijn de namen die met dat stukje Drent­se hei verbonden zijn, want we kunnen ook nog noemen: Bill Lomas, Carlo Ubbiali, Enrico Lorenzetti, Tarquinio Provini, Luigi Taveri, Jim Redman, Phil Read, Bill Ivy, Giacomo Agostini, Mike Hailwood, John Surtees, Angel Nieto, de duo's Oliver/Jenkinson, Fath/Wohlgemut en Enders/Engelhardt. En dan onze Nederlandse renners als Piet van Wijngaarden, Willy van Gent, Arie van der Pluym, Bertus van Hamers­veld, Dick Renooy, Lo Simons, Lous van Rijs­wijk, Piet Knijnenburg, Drikus Veer, Piet Bak­ker, Kees Koster, Cas Swart, Cees van Dongen, Jan Huberts, Jan Kostwinder, Theo Bult, Wil Hartog, Aalt Toersen, Jan de Vries, Paul Lode­wijkx, Wil Hartog, Jack Middelburg, Boet van Dulmen en de duo's Oosterloo/Hermans, Geerts Van Veen en Streuer/Schnieders.
Zeker de ouderen onder de lezers, maar ook de TT-kenners, zullen nostalgische gevoelens niet kunnen onderdrukken, want de namen van die rijders zijn als het ware de sleutels op de vele deuren die toegang geven tot het scala aan herinneringen die elke TT-bezoeker wel heeft: Die eerste keer dat we met een achtste-hands motorfietsje (was het geen Sparta?) naar de TT gingen. Met veel pech Assen haalden, bij die boer langs het circuit in het hooi geslapen heb­ben, naar de machinekeuring geweest zijn, een handtekening van Duke op ons TT-programma hebben gekregen Wie kent dat soort van ver­halen niet?
Nu, schrijver dezes ging de eerste keer naar de TT samen met een vriendje op een brommer, een Kaptein Mobylette. Tentje achterop en in 6 uur nonstop uit de Bollenstreek naar Assen, alleen gestopt voor een half brood en een fles melk. En dan dat slapen in dat tentje in de hei. Je had een doel en je race-idolen en beleefde naast het grote avontuur dat Asser TT heette, je eigen avonturen, die in de herinnering als parels aan een ketting zijn   
geregen, want eens TT werd meestal altijd TT. De kwaliteit van de voertuigen werd beter, maar het avontuur bleef. Je was immers maar een halve motorman wan­neer je niet elk jaar de bedevaart naar Assen maakte!

               Hoe het groeide.
Tja, hoe heeft het ooit zo kunnen groeien? Met als start een penningmeester van de motorclub Assen en Omstreken die met een kapitaal van 2 1/2 cent begon. Met een 28,4 kilometer lang
circuit, bestaande uit een wegendriehoek die Rolde, Borger en .Schoonloo met elkaar ver­bond. Met wegen niet meer dan drie meter breed, stoffig en op sommige plaatsen tonrond, maar zonder                 
beweegbare bruggen of spoor­wegovergangen die gesloten konden zijn.
Voor dat "genot" moest betaald worden in de vorm van een stuk te nemen grindweg en een gedeelte weg bestraat met kasseien en als klap­stuk nog een stuk zandweg.
Maar leer me die Drenten kennen. Het kwam voor elkaar en op zaterdagmiddag 11 juni 1925 ging die eerste TI' op de landelijke Brink van Rolde van start, met wel 27 renners verdeeld over de 250, de 350 en de 500 cc klasse.
Haarlemmer Arie Wuring won de 250 cc klasse met z'n BSA Roundtank (botaniseertrommel) zijklep BSA,
Sfeerplaatje: de Heilige Hermandad in vol ornaat, compleet met sabel, observeert de
                     Engelse deelnemer Mr. Himing op een AJS in de TT van 1930.
Nogmaals de TT van 1932 en Tim Hunt, de uiteindelijke winnaar, Jaagt op "onze" Bertus van Hamersveld op zijn Eysink TT racer met Python (Rudge) vierklepsmotor, die bij het uitkomen van de bocht de grasrand hard nodig heeft.
De Norton pits tijdens de TT van 1932,
met de 500 cc motoren van Tim Hunt (89)
en Stanley Woods (85). Tim Hunt staat
geheel rechts op de foto.

H. Bieze op New Imperial won de 350 cc klasse en de cracks Karel Burlage (op Norton) en Bertus van Hamersveld (op een gehalveerde achtkleps 1000 cc kopklep H.D.) moesten door pech in de 500 cc klasse het hoofd buigen voor de volslagen onbekende Piet van Wijngaarden op een flat-tank kopklep Nor­ton (zie ook nr. 3 van HMR met een verhaal over zo'n flattanker en een reprise van die eer­ste T.T.-race) .
Men had de smaak te pakken en pakte in 1926 de zaak grootser aan. Daar de gemeente Bor­ger geen oren had naar dringend noodzakelij­ke verbeteringen aan het circuit, zocht en vond men een ander circuit in de buurt van Assen. Men bouwde voor f15.000,- tribunes en legde ruime parkeerterreinen aan. Maar de tribunes bleven half leeg en men haalde een strop van f5.000,-. Van Wijngaarden kaapte met z'n Nor­ton weer de zege weg in de 500 cc klasse. Sensatie bracht de in Zwitserland studerende Hagenaar Karel Dom die met zijn huilende watergekoelde tweecylinder Scott de 750 cc klasse aanveegde.

            De Asser TT internationaal!
In 1927 werd de TT internationaal, door het inschrijven door de Norton fabriek van de legendarische Stanley Woods. Daarnaast zou­den onder andere de Engelsman Stobart op Rudge, de Belgen Rene Milhoux op Ready en Lovinfosse en Sbaiz op FN, Van Geert Demeuter en Debayen en de Duitsers Magnus en Muller op watergekoelde "Ladepumpe" DKW's starten. De sympathieke Ier Woods, de feitelijke gang­maker van de buitenlandse belangstelling voor "onze" TT, won de 500 cc klasse, nadat de voor hem liggende Van Hamersveld was uitgevalen.
De Zweden Ragge Sunnqrist en Gunnar Kalen kwamen in 1932 voor het eerst
een kijkje nemen in Assen. Kalen deed het met zijn V-twin lang niet slecht en werd vierde in de 500 cc klasse achter Hunt, Woods en Walker.
                             Snelle foto van George Meter op weg naar de zege!
Lekker sleutelen. Continental Circus rijders Fergus Anderson, Bill Beevers en H.D. Myers knutselen aan hun Nortons. "Those were the days"! (in 1938).
Han van Kooten nam de 350 cc klasse voor zijn rekening met een eencylinder kop­klep Harley-Davidson.
1928 bracht de definitieve doorbraak van de belangstelling van de bekende buitenlandse fabrieken zoals Norton, Triumph, AJS, Rudge, Motosacoche en DKW. Woods had in de 350 cc klasse een kwaaie aan de vurige Italiaanse Zwit­ser Martinelli op zijn ohc Motosacoche maar Martinelli raakte, aan kop liggend, de AJS rijder Hough toen hij deze te krap in een bocht wilde passeren. Beiden knalden, overigens zonder letsel op te lopen, het bouwland in en Woods werd winnaar. Graham Walker won op zijn vierkleps Rudge na een sensationeel duel met de roodharige Tommy Spann de 500 cc klasse. De daaropvolgende jaren werden de snelheden flink omhoog geschroefd. In 1929 bezochten bijna 30.000 toeschouwers de races. Alle moto­ren waren inmiddels uitgerust met voetschake­ling in plaats van handschakeling en de boven­liggende nokkenas werd steeds meer toegepast.

                De dertiger jaren.
In 1930 verkreeg de Asser TT de status van "Classic Event" van de FIdCM, de internationale motorbond, waarmee Assen op één lijn kwam te staan met de Engelse TT en de Grote Prijzen van Frankrijk, Duitsland en België. Een oppep­per van jewelste voor de nog jonge Asser TT-organisatie! Grote mannen op beroemde mer­ken kwamen en gingen; de crème de la crème op racegebied kwam in Assen aan de start. Wal Handley op Motosacoche en FN, Leo Davenport en Simson op AJS, Ernie Nott op Rudge, Geiss op DKW, Siegfried Cmyral op zijn watergekoel­de Puch, Tim Hunt op Norton, Tyrell Smith op Rudge, Syd Gleave op New Imperial, Jimmy Guthrie op AJS en Norton, Demeuter en Noir op FN, Grizzly op Sarolea. Maar ook onze landge­noten bliezen vaak een fraai partijtje mee, zoals Willy van Gent op AJS, Rudge en FN, Piet van Dinter op DKW, en natuurlijk Bertus van Hamersveld, die wanneer hij geen pech kreeg altijd wel voorin te vinden was.
In 1931 werden de races voor het eerst per radio uitgezonden. Piet Nortier was de reporter die voor de KRO de luisteraars in den lande op de hoogte hield van het verloop van de races. Een aardig, zeg maar gerust droevig, staaltje van de rijderspech van Bertus van Hamersveld kreeg het publiek te zien in 1932. Bertus lag met een 500 cc fabrieks TT Eysink, uitgerust met een vierkleps Python (Rudge) motor de eerste ronde aan kop. Nott had haast en pas­seerde eerst Bertus gevolgd door Hunt en Woods op Norton en Walker op Rudge. Bertus bleef Walker echter als een schaduw volgen! Samen stopten ze aan de pits om te tanken. Walker kwam weer vlot weg, maar de Eysink was pas na veel martelen aan de praat te krij­gen. Kort daarop moest Bertus uitvallen met een gescheurde tank. In 1932 verschenen voor het eerst ook Husqvarna's aan de start met de Zweden Raggs Sunqvist en Gunnar Kalen.
Dat jaar moest een "uitrij-premie" van f 100,-de rijders lokken, want de tijden waren slecht (crisistijd!). Megafoon-uitlaten en 14 mm bou­gies waren dat jaar een nieuwtje.
Wat wogen die machines nu eigenlijk, zult u wellicht denken. De Norton's brachten 143 kilo op de schaal. Rudge en FN waren aanmerkelijk zwaarder met 167 kilo, maar Husqvarna span­de de kroon met 185 kilo.

                 Nederlandse inzet
Rotterdammer Arie van der Pluym wist zich in 1933 met een Huskie V-twin achter Woods en Sunqvist als derde te klasseren in de 500 cc klasse. Een Huskie die inmiddels zo'n 30 kilo "afgeslankt" was. Een prestatie die Arie in 1934 herhaalde, maar nu achter de FN-rijders Demeuter en Noir.
Van de 48 starters werden er in de 500 cc klas­se elf geklasseerd waaronder vijf Nederlanders! Behalve Van der Pluym waren dit Piet van Wijn­gaarden op Norton (4e), Bakker Schut op Eys­ink (7e), Van Hamersveld op Eysink (8e) en Klaas Reinbergen op Montgomery (11e).
In 1935 wist Willy van Gent zich met een fabrieks FN als tweede te klasseren. Hij viel ook bijzonder op door zijn gestroonlijnde valhelm. Een prachtig gouden horloge geschonken door de FN-directie (nog in bezit van zoon Willy) was onder meer zijn beloning.
Engelsen en Zweden domineerden de races, maar waar bleven de Duitsers? Die waren er wel degelijk, want al enkele jaren domineerden ze met hun watergekoelde• dubbelzuiger com­pressor DKW's de 250 cc klasse.
NSU, hoewel aan de start komend met de door de in 1929 van Norton "overgekomen" Engelse constructeur Walter Moore ontworpen ohc machines, kon internationaal nog niet erg imponeren. Maar in 1936 kwamen de Duitsers met ohc BMW-motoren met compressor aan de start. Ley wist een tweede plaats achter Guthrie op z'n Norton te behalen.
BMW had zijn visite­kaartje afgegeven!
In 1937 werd Norton regelrecht verslagen door BMW met de rijder Karl Gall. De BMW had voor het eerst achtervering. Hij won overigens met een gemiddelde snelheid van 148,5 km/h, een snelheid die pas in 1951 door Duke op Gilera zou worden overtroffen! BMW continueerde zijn succes in 1938 met een één-twee overwin­ning met Meier op de eerste en "onze" Bertus van Hamersveld op de tweede plaats. Serafini op de Gilera finishte als derde.
Een jaar later ging de doldrieste Serafini ruim aan kop en minderde in de regen met 1,5 minuut voorsprong geen snipper gas en dweil­de toen bij de Oude Tol de bocht uit, verkreu­kelde zijn Gilera en Meier op zijn BMW profi­teerde er van en won.
Kluge op DKW won de 250 cc klasse dankzij eveneens het vurige en onbesuisde rijden van Italiaan Tenni op Guzzi, die ook ruim op kop liggend "plat" ging.

               Opnieuw van start
De daaropvolgende oorlogsjaren kwam ook het Asser Circuit er niet zonder kleerscheuren vanaf. Tribunes, afsluitingen, rondeborden, kortom de hele outillage was door de bezetting verloren gegaan. In 1946 kon er weer worden gestart, weliswaar alleen nog nationaal, waarbij Piet Knijnenburg op zijn Rennsport BMW glori­eus de koningsklasse won. Het na-oorlogse begin was er weer.
In 1947 werd den weer internationaal en tra­den de fabrieksploegen van Norton, Velocette en Moto Guzzi in het strijdperk. De 350 cc was voor Bertie Goodman op Velocette en de 500 cc voor Artie Bell op Norton.
In 1948 was de snelheid van een Nederlandse motorfiets en de rijkunst van een Nederlandse renner ruim voldoende voor een overwinning in de 125 cc klasse. Dick Renooy was de man en een Eysink was zijn motor (zie ook nr.5 van HMR). Sensatie alom, een Nederlandse TT­overwinning en het Wilhelmus schalde over de heide. De volgende jaren waren glorievolle jaren met als start 1949, het startjaar van de wereldkampioenschappen.
Een startfoto uit de TT van 1939 (500 cc klasse). V.l.n.r.  George Meier op BMW Compressor, Dorino Serafini op Gilera Compressoren Jac Schot op BMW Compressor. Meier won!
We schrijven midden dertiger jaren. Radio reporter Piet Nortier met rechts naast zich een lieftallige secretaresse met pothoed.
De grootste concurrent van Meier, Serafini met zijn Gilera, eveneens in 1939 aan de pits, overlegt met ir. Taruffi.
Een monteur ontfermt zich over de machine van collega Vaillatti.
       De gouden vijftiger TT jaren.
In de komende vijftiger jaren zou een veelvoud van merkenteams aan de start komen. Teams van AJS, Matchless, Norton en Velocette uit Engeland, van Benelli, Morini, Mondial, Moto Guzzi, MV Agusta en Gilera uit Italië, en van BMW, DKW en NSU uit Duitsland zouden elkaar bekampen. Die vijftiger jaren worden door de veelheid aan merken met een veelvoud aan beroemde renners wel de gouden TT jaren genoemd met de racegeluiden van een-, twee-, drie-, vier- en achtcylindermotoren en wie is
ondergetekende om dat te betwisten? Hoogtepunten uit die jaren waren bijvoorbeeld 1951 toen Norton voor de laatste keer de 500 cc klasse won. In die race stonden vier viercy­linder Gilera's, vier MV viercylinders, vier Guzzi twins, drie AJS
tweecylinders en drie eencylin­der Nortons aan de start. Geoffrey Duke op zijn Norton won voor Milani op Gilera viercylinder. In 1954 behaalde Fergus Anderson op zijn "badkuip" Moto Guzzi de overwinning in de 350 cc klasse met een gemiddelde snelheid van 157,1 km/h! Maar 1954 was toch 'de race van Drikus, want zo ervoer het talrijke publiek de race in de koningsklasse in dat jaar.
Door bemiddeling van de heer Hagen, de Nederlandse Gilera-importeur, kreeg Drikus Veer de kans van zijn leven om op een heuse Gilera viercylinder te mogen starten en reed zich temidden van de race-elite naar een fraaie achtste plaats. Het jaar daarop zou hij, hoewel
hij weinig had kunnen trainen, met zijn Gilera een schitterende vijfde plaats behalen tussen het puikje uit de racewereld. Mondial beheer­ste in 1957 met Tarquinio Provini de 125 cc en 250 cc klasse. Provini reed toen al met een zevenversnellingsbak! Surtees won de
500 cc op zijn MV vierpitter na een spannende strijd met McIntyre op Gilera. Keith Campbell had al eerder de achtcylinder Moto Guzzi aan de kant moeten zetten.
In 1958 kreeg de internationale motoracewe­reld een dreun door de opheffing van nagenoeg alle belangrijke Italiaanse fabrieksteams. Behalve dus MV Agusta, die prompt in de Engelse TT alle vier de solo-klassen won.

    De jaren `60, Japan en Jamathi
Honda beet in 1960 als eerste Japanse motor-
merk de spits af in de Asser TT. Jan Huberts
kreeg de beschikking over een 125 cc fabriekstwin en in de 250 cc klasse over een echte viercylinder. In de 125 cc race moest hij uitvallen, maar in de 250 cc race behaalde hij een mooie zevende plaats. Dat jaar kan worden beschouwd als een leerjaar.
Serafini in de TT van 1938, die na een val derde werd achter de
BMW coureurs Meier en Van Hamersveld.
De Italiaan F. Libanori op z'n `gebadkuipte"MVAgusta 125 cc
in de TT van 1956.
Landgenoot Cas Swart op weg naar een schitterende vierde plaats op zijn fabrieks Honda viercylinder in de TT van 1962.
We schrijven 1968 en nog enkele meters scheiden Paul Lodewijkx op Jamathi van zijn overwinning in de 50 cc klasse!
En Honda toonde zich, zoals al spoedig zou blijken, wel een heel goede leerling. Want het jaar daarop won Tom Philis de 125 cc klasse en Mike Hail­wood de 250 cc klas­se. "Onze" Cas Swart wist op een fabrieks Benelli een fraaie zevende plaats te ein­digen. De première van de nieuwe 50 cc klasse vond plaats in 1962. Degner op Suzuki won die eerste wedstrijd op Assen en na een enerverende strijd met teamgenoot Anscheidt wist Jan Huberts zijn twaalfver­snellings Kreidler naar de tweede plaats te sturen.
Nog een Nederlander, Cas Swart, bracht zijn Honda vierpitter op een fenomenale vierde plaats binnen, achter grootheden als Red­man, McIntyre op Honda en Provini op de eencylinder won­der-Morini.
In 1963 kwam Gilera terug en boekte na het uitvallen van Hail­wood op MV een één­twee overwinning met Hartle en Read.
In 1964 won Honda vier klassen en daar­van Jim Redman drie, namelijk de 125, 250 en 350 cc klassen.
De zestiger jaren zagen qua motorcon­structies vijf- en zes­cylinders verschijnen en inderdaad, Honda was het merk die bij­kans alles "probeer­de" wat er te proberen
viel. Tot een achtcylinder zoals Moto Guzzi ooit op de baan bracht is het echter nooit gekomen. In 1967 behaalde Cees van Dongen in de 125 cc klasse een fraaie vijfde plaats. Suzuki bracht dat jaar een watergekoelde 50 cc twin met veertien versnellingen aan de start. Kon in 1966 Martin Mijwaart met z'n Jamathi een negende plaats boeken, Paul Lodewijkx boekte een jaar later progressie met een zesde plaats en bracht nog een jaar later, dus in 1968, iedereen dol door na een zinderende finish de 50 cc klasse te winnen voor Anscheidt op Suzuki.
Het publiek had er twintig jaar op moeten wachten, maar toen was het weer een Neder­lander op een Nederlandse machine die een TT-race won!
In de vijftiger jaren waren het Duke op Norton en Gilera en Surtees op MV die de koningsklas­se beheersten; Hailwood op MV en Honda nam de vlag over in de zestiger jaren, gevolgd door Agostini op MV die nog even daarmee doorging in de zeventiger jaren en zijn overwinningen afsloot op een Yamaha.
Barry Sheene op Suzuki ging door en toen, in 1977, scoorde weer een Nederlander een TT overwinning en ditmaal in de koningsklasse! Wil Hartog, de man in de witte overall, stuurde zijn Suzuki als eerste over de streep.
Enthousiasme alom! Dat enthousiasme was er overigens ook geweest in 1971 toen Jos Schur­gers op Van Veen Kreidler tweede in de 50 cc, Theo Bult op Yamsel in de 250 cc tweede en in de 350 cc derde werd en Rob Bron zijn Suzuki twin naar een tweede plaats achter Agostini op zijn MV stuurde.
                                   
                                Historische TT.
De Asser TT historie is natuurlijk niet in enkele pagina's samen te vatten. Het bovenstaande is dan ook alleen bedoeld om weer eens wat hoogtepunten (en dan nog lang niet alle) in de herinnering te brengen. Niet in de laatste plaats omdat dit jaar tijdens de Asser TT, volgens mededeling van enthousiast Egbert Braakman van het TT-Bureau, weer een historische TT wordt verreden en wel in de 350 en 500 cc klassen. Egbert zal tussen 0 net als in 1992 weer een rijder "sponsoren" en misschien wordt die rijder de vader van Kevin Schwantz en anders
Het MotorRijwiel doet overigens zijn best om een bekende Nederlandse rijder van toen, met 13 starts in de Asser TT op zijn conto, aan de start te krijgen. We houden u op de hoogte.
Mocht u het nog eens allemaal willen nalezen probeert u dan het boek "60 jaar TT 1925 - 1985" van Han Harmsze & Hans van Looze­noord op de kop te tikken. Antiquarisch, dat wel, maar de moeite van het zoeken waard.

Foto's: Wim Marijnis/Archief

Stichting Historische Motor Documentatie