Coureurs
Met    aanvulling
Mar Schouten

Vol goede moed vertrok Maarten Flinterman verleden week donderdag naar Leiden voor het ondergaan van een operatie in het Academisch Ziekénhuis. Spoedig — daar was iedereen van overtuigd — zou hij weer thuis zijn. Maar zondag kwarm er een complicatie en in de nacht werden ijlings zijn echtgenote, zoon en dochters gewaar­schuwd. Zij moesten zich op het ergste voorbereiden.... en dat ergste gebéurde. Maandag in de loop van de och­tend, tot het laatste bij kennis, is hij die zo graag wilde leven en die allen zo sterk achtten, overleden.

Het bericht verspreidde zich als een lopend vuurtje in de kringen van de motorhandel en de motorsport, waar­in hij algemeen bekend was. En het bracht grote ontstel­tenis bij ieder die er, met een schok, kennis van nam. Want we hadden hem allemaal pas nog ontmoet en zijn dood kwam volkomen onverwacht, zo plotseling, wegge­rukt uit bet volle leven, waarvan hij zo genoot.

Flinterman was een nationale figuur in motorkringen en door zijn vroegere sportsuccessen en latere vooraan­staande'werkkring in het zakenleven genoot hij ook in het buitenland grote bekendheid. De jongeren kenden hem als directeur van Hart Nibbrig en Greeve, wiens hart sterk naar de motorfietsen trok. In 1938 kwam hij bij deze firma als de leider van de afdeling motorrijwielen, in 1952 volgde zijn benoeming tot mede-directeur va.ii het ge­hele bedrijf. Maar vak zijn overgang naar deze Haagse firma was hij door het gehele land reeds bekend als im­porteur van F.N., later als directeur van de eigen vesti­ging van deze Belgische fabriek in ons land.

Ouderen herinneren zich Maarten als de onvervaarde wedstrijdrijder met all-round begaafdheden, want hij boekte successen in baan- en wegraces zowel als in grote betrouwbaarheidsritten, hetzij met solomotor of met zij­span: de Zesdaagse van 1924, de Dumonceau Bekerritten en eenmaal, in 1925, was hij winnaar van de zware Bel­gische wedstrijd de Coupe de la Meuse. Maar het meest trokken hem toch de snelheidswedstrijden aan.

Toen kort na de eerste wereldoorlog de belangstelling voor de motorsport weer ging opleven, was de enthou­siaste Flinterman meteen van de partij en vanaf 1920 boekte hij met Indian successen op alle grasbanen van ons land. Al spoedig schakelde hij over op F.N., waar­mede hij ook in wegraces in het buitenland van zich deed spreken. Door zijn prestaties werd de leiding van de F.N.-fabriek op hem attent en toen men besloot, een aanval op een serie wereldrecords te doen, kwam de moedige en talentvolle Nederlandse renner als eerste in aanmer­king om daaraan mede te werken. De uitnodiging werd graag geaccepteerd en samen met de Belg Lovinfosse trok Maarten naar Monza om daar een baan aan te tref­fen, die in bijzonder slechte conditie was. Omdat boven­dien de apparatuur voor elektrische tijdopname defect was, werd besloten de voorgenomen aanval op kortebaan­records te wijzigen in een op lange afstanden.

Na veel tegenslag kon de poging op 2 aug. 1926 begin­nen. Met de 350 cc machine reden Flinterman en Lovin­fosse afwisselend 12 uren rond en de vangst was een aan­tal nieuwe wereldrecords van 4 tot 12 uur plus 500 en 1000 km en 500 mijl, gedeeltelijk ook in de 500 cc klasse tellen­de en totaal 17 stuks. Enkele dagen later werd ook het 24-uren record met succes aangevallen, wat dreigde te mislukken toen 's nachts hét licht van de motor defect raakte, maar in het duister, met hier en daar wat lamp­jes op de baan, werd doorgezet en het totale resultaat was een aantal van 24 wereldrecords.

Toen Flinterman zelf niet meer reed en de gelegenheid kreeg, andere rijders te helpen, is hij voor dezen een gro­te steun geweest en zo heeft de motorsport veel aan hem te danken. Het is daarom, dat wij deze herinnering opha-. len nu hij, die een der onzen was, is overleden.

Van harte wensen wij Mevrouw Flinterman de kracht toe om het droevige verlies te dragen. Moge de weten­schap, dat zeer velen zich Maarten als een goed vriend

zullen blijven herinneren, haar hierbij sterken. H. H.,