Coureurs
Met    aanvulling
Willem Groenewold
Berini als bromfietsmerk mag als meer dan Gekend worden verondersteld. Maar een
Berini racemotor? Toch teel, want op de vaderlandse circuits van de jaren `60 stond regelmatig een Berini aan de startstreep. Hans van Dissel tekende bel verbaal op van een racer van de Sluisjesdijk.
Het verhaal van de Berini racehistor,Solfergenlijk het verhaal van den man, Wandroortenewold. Er moeten meer Berini's geweest zijn die, meer of minder 'gekieteld', aan races in de borrelglaasjesklasse meededen, maar geen kwam zo dicht bij een 'fabrieksmachine' als de Berini die Willem Groenewold in de jaren '60 aan de startstreep bracht.
Dat 'fabrieksmachine' staat niet voor niets tus­sen aanhalingstekens, want officieel heeft Berini zich nooit met de racerij ingelaten, maar inofficieel kon er nog wel eens wat geregeld worden ten behoeve van Willem's race-ambities.
Het verhaal van de racende Berini begint eigenlijk in 1961, als de toen 23-jarige Willem Groenewold met zijn tweedehands Triumph Tiger Cub in mei een standaardrace mee op Zandvoort gaat rijden. Dat leverde een vierde prijs op. "Maar ik werd ook een motor armer, die kon 1 geweld niet aan".

                   Privé-basis
Willem vond dat hard gaan wel leuk, maar koos ervoor dat in de 50 cc klasse te proberen. Dat hij dat op een Berini deed was niet zo vreemd, want Pluvier aan de Rotterdamse Sluisjesdijk was tenslotte zijn werkgever. Willens was daar begonnen als constructeur werktuig-bouw en kwam later op de tekenkamer van de ontwerpafdeling. Hij hield zich bezig met bui­tenboordmotoren, aggregaten en, natuurlijk, bronifietsblokken. Op een gegeven moment kwam Willem terecht op de researchafdeling, waar onder andere prototypen gebouwd werden en aanpassingen verricht werden aan de blokken van de Berini's van de Rijkspolitie.
Willen; Groenewold op de Berini mei ,Solifer franze tijdens de trainingen op Z7androort. mei 1962.

"We ontwikkelden ook speciale modellen voor Zwitserland en we leverden blokken aan de Finse Solifer fabriek", vertelt Willem, "die speciaal aangepast moesten worden aan de kou daar in het noorden. Dan deden we experimenten bij Pakhoed in de vriescel om te kijken hoe zo'n blokje zich hield bij -20. Het was mooi werk op die afdeling, een combinatie van hoofd en handen gebruiken" Chef daar was Rinus Bruynzeel, een van de mannen die aan de wieg van het hele fenomeen Berini hadden gestaan. Bij hem opperde Willem het idee om een 'echte' Berini racer te bouwen. Rinus had er wel oren naar, maar officiële fabriekssteun zat er niet in. "1k begon dus eerst helemaal op privé-basis" zegt Willem, "maar via Rinus kon ik wel van de faciliteiten gebruik maken, de proefbank bijvoorbeeld. En ik kon de contac­ten van de fabriek gebruiken. Zo gebruikte ik in het begin het frame van de Berini Junior. Die frames kwamen uit Italië, maar stuurden als een natte dweil. Van Solifer kon ik toen een licht, beetje Puch-achtig plaatframe krijgen, dat was veel beter. De voorvork was gewoon van een Berini. Die voorvorken kwamen overigens allemaal van Aarts in België vandaan. Het leuke van de researchafdeling was ook dat je dicht bij de nieuwste spullen zat. Zo zette ik een tank wan de nieuwe 1.71 op mijn racertje, maar dat ding was veel te breed. De leverancier van die tanks - ik dacht ook Aarts - heeft toen voor mij die tank op maat gemaakt door liet middendeel eruit te halen en de helften weer aan elkaar te lassen. Dat was toen een hele mooie tank". Het Berini-blokje was van huis uit een M35 met drie versnellingen, handgeschakeld, waar Wil­lem ni het ontelbaar veel experimenten uitein­delijk 120 op de rechte einden mee kon rijden.
Met behulp van de schakelklok van een oude Norton voorzag Willem zijn Berini racer van voetversnellingen.
Zandvoort,1964. De borrelglaasJesklasse jaagt over de Hunzerug. Willen, Groenewold (33) finishte als dertiende.
F                  lying Arrow
In 1962 maakte Willem zijn opwachting in de racerij met zijn Berini. "Ik was de enige in Nederland die op zo'n ding reed. Bij de 50 cc waren merken als Itom en Royal Nord populair, daar werden de races op gewonnen. En je zag Demms, HMWs, JLO's en Kreidlers". Zijn eerste 'optreden' was in mei '62 tijdens de trainingen op Zandvoort en in Rockanje een week later kwam hij in de 50 cc junioren aan de start, met KNMV-racenummer 33. Bijna kwalificeerde hij zich voor een finaleplaats, maar de Itoms van andere coureurs bleken net iets te snel.
In het begin moest Willem's rood-witte Berini het zonder kuip stellen, maar die kwam er voor het seizoen-1963 op. De naam voor het racertje was toen ook gevonden: Flying Arrow. "Eigenlijk toeval, want ik had gewoon een paar transfers waar dat op stond".
Het was ook rond 1963 dat Willem, steeds maar sleutelend en experimenterend aan zijn machine, de handversnelling verving door een voetschakeling, zelf gebouwd met gebruikmaking van de schakelklok van een oude Norton versnellingsbak.
Rockanje (in de stromende regen), Tubbergen, Etten en Zandvoort waren de races dat jaar waar de 50 cc'tjes hun opwachting maakten. Willem was steeds van de partij, maar ondanks de hulp 'achter de schermen' bleek het moei­lijk de Berini snel èn betrouwbaar te maken en te houden. .En het kostte toch ook een hoop tijd en geld. Een echt fabrieksracertje in die jaren kostte zo tussen de f2000-4000,-. Door hem zelf te bouwen kon Willem dat tot ongeveer een duizendje beperken, maar dat was anno 1963/64 toch nog een hele smak geld. Qua tijd rekent Willem dat het zo'n 600 uur kostte om een racer te bouwen en dan moest het machientje natuurlijk nog uitgeprobeerd wor­den.
                 Eigenbouw frame
Ook in 1964 werkte Willem onverdroten door aan het sneller maken van de Flying Arrow. Het carter van het via een roterende inlaat gevoede blokje werd omgebouwd, zodat de inlaat aan de linkerkant kwam te zitten en het brandstof­mengsel door een 22 mm carburateur naar binnen gorgelde. "Dat was net een riool, die carburateur", herinnert Willem zich, "maar het blokje ging wel hard. Zo hard dat de versnellingsbak het niet hield. Ik heb toen een vierbakje geconstrueerd, waarvoor de tandwielen bij Pluvier gestoken werden. Daarbij heb ik veel hulp gehad van de chef van de tekenkamer Bockholt, een Duitser die bij DKW had gewerkt, en die dat racegedoe wel leuk vond."
Actie in 1964. De berini was inmiddels van een zelfontworpen vierversnellingsbak voorzien.
Inmiddels had ook het Solifer frame het veld geruimd ten gunste van een door Willem zelf gebouwd frame met een enkele dikke boven­buis. Voor de uitlaat viel de keus uiteindelijk - na veel testen op de proefbank bij Pluvier - op die van een Kreidler. "Die Kreidler uitlaten waren heel stil en gaven bij de Berini blokken. het beste vermogen".
Maar hoe bekwaam hij ook was met gereedschap, Willem was niet uit hetzelfde coureurs-haut gesneden als een Cees van Dongen, Jan Kostwinder of Jan Thiel, om enkele andere 50cc namen uit die jaren te noemen.
In Rockante in 1963 draaide Willem in de stromende regen zijn rondjes op de Flying Arrow.
"Nee, een wereldkampioen was ik niet", grinnikt Willem als we vragen naar zijn raceprestaties. "Ook als hei erg goed ging zat er meestal toch niet meer dan een zevende of achtste plaats in. Maar al was ik dan geen winnaar, de lol van het racen was er niet minder om", zegt Willem, terugkijkend op die spannende jaren.
En de lol van het bouwen, denken wij er dan bij, als Willem vertelt dat hij in de loop van de jaren enkele tientallen frames, meestal voor anderen, gebouwd heeft, en zelf raceblokjes bouwde op basis van kale Honda carters of Suzuki krachtbronnen.

                   Suzuki, Kreidler
Die Suzuki blokjes had Willem in handen gekregen als gevolg van de - mislukte - poging van Pluvier om in samenwerking met Suzuki een 50 cc motorfietsje op de markt te brengen.
In augustus 1964 ging Pluviefriends en werd door de Anker Kolen Maatschappij opgekocht, die onder de naam Anker Motoren Maatschappij de Berini-productie voortPluvier failliet. Willem Groenewold vond het toen tijd worden naar iets anders om te zien en ging bij Unilever werken.
Maar hij behield zijn contacten bij Pluvier en tot de fabriek in 1967 verplaatst werd naar Eygelshoven in Limburg heeft men hem steeds geholpen bij zijn race-activiteiten. "Dat is altijd heel fijn geweest van de mensen daar. Wat dat betreft kan ik daar echt geen kwaad woord over zeggen. En al deed Berini dan officieel niets aan de racerij, ze hebben wel eens mijn racemotor op hun RAI-stand gezet, met een bordje erbij: Snelste Berini van Nederland. Ja, dat vond ik wel leuk".
Na de Berini volgde een periode met racertjes op Suzuki-basis en in 1968 stapte Willem over op Kreidler, dat toen dé 50 cc racemotor was. Ook had hij de KNMV ingeruild voor deDelft.want die deden wel zo'n 25 wedstrijden per jaar, tegen de KNMV misschien een stuk of
acht". Liesel, Zolder, Rosmalen, Wijlre, Nijmegen, Soerendonk, Maarheeze, Venhuizen, Schijndel en Vlagtwedde waren enkele van de circuits waar Willem Groenewold, rijdend met nummer 43 op de kuip, nu ook het gas open kon draaien.
Bladerend in Willem's foto-album komen we achterop de foto's aantekeningen tegen als "Tubbergen 1964, 16e plaats, 49 deelnemers", "Etten '63, 13e plaats, 42 deelnemers", "Etten '64, 13e pl., 46 deeln.", "Zandvoort 1964, 13e plaats", "Etten 1965, 17, 92 dlnrs.", Tubbergen, l le plaats van 85 deelnemers"; een wereldkampioen was Willem dan niet, maar - de pech die elke coureur kan treffen daargelaten - hij was toch ook bepaald niet de laatste die zijn racertje over de finishlijn bracht.
'With a Hille help frone myn Fyfriends' wordt er in de pits onderhoud gepleegd. Het frame van de Berini was inmiddels geheel eigenbouw.
De start van de 50 cc klasse in Tabbergen, 1964. De Berini (33) wordt geflankeerd door twee Horns; geheel links een Moto Morini.

                    Motorzaak
In 1972 zette hij een punt achter het racen. Het bouwen en ontwikkelen van racertjes voor anderen nam in die jaren ook steeds een grote plaats in en een mens kan niet alles tegelijk. Met name in het maken van frames - alles bij elkaar schat Willem dat hij zo'n 40 frames gebouwd heeft, waaronder een monococque frame - en werken aan motorblokjes vond hij veel voldoening. Onder andere construeerde hij eens een linksbediende voetschakeling voor een Tomos racertje en ontwierp en maakte een monoshock achtervering voor een Kreidler. Toen bij Unilever de ontwerpafdeling waar hij als constructeur werkte werd opgeheven, stapte Willem over naar een Amerikaans bedrijf in Delft, waar hij elf jaar bleef. Toen deed zich de kans voor een kleine motorzaak in Delft over te nemen. Willem nam de gok, ook al had hij niet de vereiste vakdiploma's. Dankzij zijn jarenlange praktische ervaring kon hij zich in record­tijd de vaktheorie eigen maken - zo snel dat het hem hij de diploma-uitreiking een eervolle vermelding bezorgde - en was vanaf dat moment 'eigen baas'. Wie nu aan de Buitenwatersloot 343 in Delft bij Groenewold Motoren binnenstapt, ziet een moderne, goed geoutilleerde motorzaak, gespecialiseerd in Suzuki.
En hij is weer terug in de 50 cc wereld, want hij maakt onder andere voor Rob van Zanten, snelste in Nederland in de Puch-klasse, koppelingen voor de Puchracertjes. Ja, 't bloed kruipt....



   Wille, Groenewold nu, voor zijn
             motorzaak in Delfi'.