Motorsport Vlagtwedde - Uitgelicht.
In middels al 33 jaar geleden, in augustus 1967, reisde Piet Kramer voor het eerst af naar dit pittoreske plaatsje in noordoost Groningen, om er deel te nemen aan daar georganiseerde motorraces. Hij kon toen niet dromen dat er 28 jaar later weer racemachines over de baan zouden bulde­ren. Maar toen dat gebeurde was Piet van de partij.
Dat ging destijds zo: tegen het eind van het motorsportseizoen 1967 werden de NMB-wegrenners uitgenodigd om in Vlagtwedde een motorrace te rijden ter ondersteuning van de feestweek aldaar. Dat zou, meen ik, zeven maal georganiseerd worden en de laatste evenemen­ten zelfs met zijspandeelname. Ik was er destijds driemaal bij aanwezig en kon toen niet vermoeden dat er 28 jaar later weer motor­races georganiseerd zouden worden, tijdens het jaarfeest 'De Week der Besten'! En nog wel op hetzelfde circuit als de eerste twee keren. Stratenraces waren het, midden door het plaatsje! Misschien ook zo in het derde jaar, maar toen verbléef ik in het ziekenhuis, helaas. Het gevolg van een race-incidentje dat acht weken rusten betekende en toen was het nog niet over hoor.
Het jaar daarna, 1970 dus, werd weer een topjaar en ook toen deed ik Vlagtwedde weer aan met twee motoren, 250 cc en 500 cc, op een iets groter circuit en een ander renners­kwartier. Het schrijft makkelijker als het over jezelf gaat en dat schrijven zou nog een goed gevolg gaan krijgen.
Ik schreef het al, zo'n 28 jaar later gingen we weer naar het hoge noorden en toen heb ik er over geschreven in een motorkrantje; daarover later. Nu eerst terug naar 1967. Helemaal naar Groningen, in de Renault Estafette bestelbus met een BSA Gold Star racer, een slaapzak enzovoort. Het was een heel eind (de wagen met het R4-motortje kon niet sneller dan 85 km/h) en 's avonds laat kwam ik in het feeste­lijk verlichte dorpje aan. Heel anders dan bij ons. Daar hadden alle mensen hun huisgevel en de voortuintjes van talrijke lampjes voorzien. Het was mooi weer, er was feest en ook een zekere bedaardheid die nu verloren is gegaan. De volgende dag ook jolijt en een talrijk publiek was aanwezig; zelfs tribunes waren er gebouwd. En een 'dakzit' recordpoging in
Een jeugdige Piet Kramer stuurt op 7 augus­tus 1967 zijn BSA Gold Star langs de volgeplakte tribunes in Vlagtwedde.
badkuip met paraplu; dat soort dingen was toen zeer populair. En bij de motorraces was alles op één dag, trainingen en wedstrijd. Voor mij zou een soort haat/liefde gaan ontstaan, werkelijk waar. Altijd reed ik met flair en verve en altijd was er wel iets. Behalve één evene­ment in 1997, 30 jaar nadien. Zó lang moest er gewacht worden op de voldoening die gepaard gaat met een eerste en tweede plaats, twee motoren dus.

             De races van toen
Dus in 1907 een vierde plaatsje vanwege uitvat op circa driekwart van de race. Een klepscho­tel was opengebarsten, maar de klep bleef in de cylinderkop zitten, krom en klem. Dat viel nog wel mee, de reparatie.
1968: nu samen met een racevriend in mijn Ford Transit bestelbus. Wij waren beide op BSA GS-motoren. De hele dag regen en alles spek­glad tijdens de races. Voor mij was de derde plek niet voldoende; een eigenbouw 500 cc Honda viercylinder in een Norton frame (motorblokje uit een autootje). Nou, die viercylinder ging daar heel goed: geen problemen met de waterkoeling (vanwege de regen waar­schijnlijk, alles helpt toch?). Niemand had het verwacht en de motor en ik reden de wedstrijd van hun leven. Een viercylinder motorfiets was
Piet in actie tijdens de races in Vlagtwedde van 1968, die in de stromende regen verre­den              
In 1970 was Piet Kramer weer van de partij in Vlagtwedde, bier op 500 Seeley Métisse.
toen nog heel bijzonder, zeker bij nationale races! Hoe het afliep? Ik ging keihard op het eind van het snelle stuk op m'n gezicht tijdens het pogen om hem eruit te remmen! Dus niets; geen buit, geen bloemen mee naar huis en géén punten voor het kampioenschap. Wel tal van zere plekjes op mijn lijf. Mijn reisgenoot werd nu derde op een door mij omgebouwde Gold Star en hij kreeg geld en een beker!
En die Honda? Later zou Hans Hutten met deze loodzware viercylinder nog wat staaltjes van motorracekunst laten zien.
U hebt het al gelezen, in 1969 was ik er niet, helaas. De tweede helft van het motorseizoen ging verloren. En 1970 leek me de tijd om m'n gram te halen, al was alles wat er mis was gegaan eigen schuld. In 1970 was het wederom mooi weer en nu reed ik op een Seeley in Rickman Metisse frame. Seeley bracht de Matchless G50 racemotor opnieuw uit onder eigen naam en in een eigen frame. Zelf had ik een los motorblok gekocht.
En ook was de 250 cc Aermacchi viertaktracer niet thuis gelaten! De trainingen begonnen al om negen uur en alles ging een beetje rustig voor mij. Hoe ik m'n best deed, het ging niet sneller. Het circuit was een stuk langer en anders dus. De eerste keer ging ik dan ook ergens onbesuisd keihard rechtdoor! De start, als eerste met de Aermacchi vanaf de derde rij en de machine stond op vier versnelingen afge­geard. En één keer minder te schakelen dan twee keer per ronde, maar alles kwam beter uit in de bochten. Een bliksemstart, twee of drie ronden op de derde plaats om een Yamaha in Bultaco frame te passeren en dat lukte. Het was Rob van Zanten op een ex- Cees van Dongen machine (overigens was Rob een neef van Cees). Ik reed zelfs van hem weg, terwijl Gerrit Zijderveld op een ex-Kostwinder Yamaha (ook
uit Rotterdam) al verdwenen was (Cees van Dongen en Jan Kostwinder behoorden tot de Nederlandse topcoureurs en zij hadden goede spullen om mee te racen). Uit het zicht dus. En er had een moeiteloze tweede plaats ingezeten als niet op driekwart van de race de krukas was gebroken! Bij demontage thuis bleek 't het big-end te zijn, plus scheuren in het carter enzovoort. Langzaam uitrijdend kwam ik in de pits aan. Erg hoor, om ze langs te zien rijden in een wat saaie race. En weer zat er geen ereplaats in en daarbij: ik zat om een succesje verlegen!


       Avontuur bij de halve-liters
Hierna de 500 cc-klasse als hoofdmoot. Veel tijd om te rusten is er doorgaans niet. Op de eerste rij stond een BMW met afgebroken cylin­der. Dat scheelt weer een plaatsje, leek het.
Mijn start was vanaf de vierde plek op de tweede rij. En ja hoor, ik kwam aardig weg, achter een Honda 450 cc tweecylinder, waar ik toch een paar ronden scherp voor moest gaan om er voorbij te komen. Nu kwam ik op de tweede plaats en achter Hans Hutten aan, die een Kawasaki driecylinder ter beschikking had. Hutten, toen een der toprenners, had zijn Norton Oomi racer stuk gedraaid tijdens de training en zou bij de laatste 24 uren-race te Oss (1975) helaas verongelukken. Hij bereed toen een Honda, maar daar kwam het echt niet door. Achter Hans, die met de uitlaten over de straat en stropakken schampend als een beest tekeer ging op dit bochtenrijk circuit. Daar ben je dan nog niet voorbij, hoor. Een paar keer met je voorwiel ernaast helpt bij deze mannen echt niet. Daar schrikken ze niet meer van en een piepende band tijdens het remmen? Dát geluid dat toch te horen moet zijn op momen­ten tijdens het afremmen, joeg menigeen de stuipen op het lijf. Onbedoeld hoor, het was nood en zij zijn er dan van schrik en denkbeel­dig lijfsbehoud rechtdoor gegaan! Eens kwam iemand me na afloop nog zijn excuus aanbie­den! "Geeft niet hoor", zei ik grootmoedig, "'t kan mij ook overkomen". Maar nu was het al halverwege de race en nog ging het wiel aan wiel; ik kon er niet voorbij komen. Vervelend toch, sneller kon het echt niet. Misschien dat de Kawa tegen het eind iets vermogen begon te verliezen, het duurde nogal lang. Met één keer rijden langere racetijd, het was warm en het tweetakt driecylindermotortje moet toch wel eens heet worden onder deze barre omstandig­heden. Het was dan ook een volkomen .... motorfiets zonder middenbok (=standaard); te leen gekregen van een aardige toeschouwer die


In de kwartliter klasse reed Piet in 1970 op een Aermacchi (66), hier pal achter Rob van Zanten. Helaas: met uitzicht op een mooie tweede plaats gaf de krukas van de Italiaan er de brui aan.
even zijn motor gaf! Nou, echt waar, misschien dat ik drie, vier ronden op kop gelegen heb: of er een turbo bij kwam, of ik vleugels kreeg enzovoort. En ik had zelfs even een voorsprong­etje opgebouwd. Er waren nog nauwelijks drie ronden te gaan toen bij het uit een bocht accelle­rerend het achterwiel een stukje weg sprong. Dat gebeurt wel vaker en zeker bij de cross. Maar nu corrigeerde ik wel en ver­moedelijk kwam het voorwiel iets los. Om dat nu juist hier mee te maken! Ik gaf me nog niet gewonnen; het stuurtje sloeg een aantal keren heen en weer, de voorband piepte en het gas ging
niet dicht, alles in een flits. Toen klapte ik tegen de keien. Het gebeurde in de Badweg, waar ik later nog eens op bezoek zou gaan. Het was een geweldige schuiver. De motor kwam plat, ik nog steeds een beetje er aanhangend, schoof op de stevige stroomlijn-omhulling een halve slag om en met de voorzijde naar de verbouwe­reerde aanstormende renners gekeerd. Een beetje gehavend krabbelde ik met mijn toen eigen gewicht van _ 55 kg met moeite overeind. Het is toch een zwaar ding om aan de clip-ons overeind te zetten en het knelde aan een hand.
Piet rond 1970 met zijn van circa 1963 daterende 250 cc Aermacchi racer met ultra-korteslag (61 mm)    
de ex-Bert Oosterhuis Norton Manx (al eerder KNMV-kampioen­machine). Oosterhuis zou later tijdens een der Parijs-Dakar-ritten jammerlijk verongelukken. Er zijn toch nog wat nare aflopen geweest in die 30 jaren!
De Honda 450 van T.v.d. Berg uit Limburg werd tweede en Hutten op de minder lopende Kawa pakte nog een handje punten en de derde plaats. Ik was niet verbit­terd; ik had wel weer wat laten zien en slecht gedraaid, maar met de vierde plaats en geen bloemen of bokaal ging ik zeker niet blij naar huis.
Het jaar hierna, 1971, was de
motor stuk en het zou tot 1995
duren voor er weer gereden kon worden in Vlagtwedde met mijn deelname. En toen weer met een BSA 500 .cc Gold Star en een Aermacchi 250 erbij. Als veteraan bij een histo­risch motorrace-evenement, maar daar wist toen nog niemand iets van bij die volgende keer, 24 jaar na 1971 én een Fanclub op mijn 50ste levensjaar!


Wordt vervolgd
Foto's: Archief Piet Kramer
Maar de motor liep nog! Het rempedaal ging heen en weer, de voetsteunen waren van het opklapbare type en een stuurgedeelte stond scheef. Er achter aan met een scheefzittende kuip; het reed nog. En er had nog een derde plaats ingezeten, ware het niet dat de ontsteking iets verliep, of zo. Het was een pracht wedstrijd! Cees Rodenburg uit Overschie werd eerste op
Alweer 33 jaar geleden, in 1967, reisde Piet Kramer voor het eerst af naar dit pittoreske plaatsje in noordoost Gro­ningen, om er deel te nemen aan daar georganiseerde motorraces. Hij kon toen niet dromen dat er 28 jaar later weer racemachines over de baan zouden bulderen. Maar toen dat gebeurde was Piet van de partij.


                                            Terug naar Vlagtwedde
Na mijn zijspancrosserij kwam de veteraanmo­torensport eerst nog langzaam op gang, zeg maar van 1977 tot heden. Met een broer waren we hier direct bij betrokken. Dit ging al snel zo `kogelhard', dat we in 1982 de veteranencross opzochten en hier zijn we lang actief geweest. En mijn eveneens de Demo-racesport beoefe­nende broer nog steeds, al wordt het minder. Ook hier ging het al snel keihard; z6 hard, alsof het topsport betreft. Zo kwamen we in 1983 bij de Eenhoorn_ race-organisatie terecht en vanaf 1989 als veteraanrenner bij de HMV. Ver­volgens kwam in 1993 het CRT erbij, waardoor pakweg de laatste 15-20 jaar in Nederland uitzonderlijk goed zijn geweest voor tal van motorsporten. Hoe goed en mooi, dat zullen we later beoordelen. Dit nu even ter kennisgeving. In 1995 verscheen bij een fraai race demoevenement in Holten een afvaardiging uit Vlagtwedde, om eens te kijken wat er allemaal te zien is en hoe het er aan toe gaat. Het kan zijn dat naar aanleiding van die gesprekjes met deze mensen ik een artikeltje schreef over Vlagtwedde 1967 in een motorkrantje. Of het had er al ingestaan; in ieder geval klikte het allemaal goed. En er werd mij vooral op het hart gedrukt: `Piet, je komt toch hè'? Ja hoor, en als ontvangst een gesprek voor de plaatse­lijke radio en een heuse fanclub van 200 leden à f2,50. Dat deed wat op die leeftijd. In Brabant waren destijds tal van plaatselijke fanclubs en toen daar ook, speciaal voor de oud-coureur die terugkwam. In dit bestek moet ik ook Joop van der Dussen melden, van Blansjaar. Die heeft mij een aantal keren vorstelijk bijgestaan en dan weet je waarvoor al het lijden is: het leed, dat motor heet! We gaan door. Het was heet en er was kermis langs het circuit. Groot feest overal, met veel herrie; er is wel wat veranderd zeg. En de hele nacht volop autoverkeer, alsof we bij Parijs zaten. Wij de disco's en feesttenten in. Het leek of iedereen mij nog kende: de kastelein, de hotelier, het bestuur, de voorvitter van de motorclub
enzo­voort. En dans en sjans, toe maar. En het was op het nippertje dat het allemaal nog doorging! Die week was er nog een vreselijk motoronge­luk geweest in de mist op straat, dat het leven had gekost aan een van de hoofdrolspelers van de organiserende motorclub.
Piet stuift op zijn oude, trouwe BSA door Vlagtwedde, 1996•
Bij de opening was er nog een herdenking met rondrit, waar Wil Hartog deel vanuit maakte. Bij de twee minuten rust op het circuit (met de vrouw van het slachtoffer; janken hoor, wat dacht je). Maar de `kermis' draaide door en wij ook.


                    Ital-klasse
De eerste start, 250 cc, was met de Aermacchi. Die motor is niet een echte, zoals eerder, maar toch kon ik me er aardig mee behelpen. Toen nog wel eens vooraan op moeilijke circuits, nu slechts bij de eerste zes of tien. Zó snel is het geworden door de Yamaha's en andere twee-taktspullen tot 1972. Dit bij het CRT; bij de HMV is de norm tot 1965 en hier ben ik ook de snelste niet; verre van dat. Maar het is leuk hoor, kom maar eens kijken. De Aermacchi is nog steeds aardig in orde, toen ook en ik kwam uit in de Ital-klasse. Alles door elkaar, van 250­750 cc. Het lichtere spul gaat in de 125 cc en 250 cc klasse, waar het iets rustiger is.
Nou, nog steeds 1995 en als eerste van start! Geen wonder, die nacht had ik in Stadskanaal doorgebracht (vakantietijd) bij aardige mensen die uit het westen kwamen. Het wordt altijd laat, maar je slaapt in een echt bed. Vervolgens de race: ik kwam als eerste door en bij de
Tussen de buien door pleegt Piet onderhoud aan de Aermacchi, tijdens de demo ran 1997.
Vlagtwedde, 1995: net een door de valpartij beschadigde knip probeert Piet verloren tijd in te halen.
volgende bocht kwam een snelle 350 cc Aermacchi mij op een moeilijk stukje binnen­door voorbij; hij raakte naast de baan in het gras en schampte de stropakken. Bij deze coureur schrok ik niet, je weet wie het is; die blijft wel ergens steken of vliegt er doorheen. Had ik maar iets gas teruggenomen. Hij kwam toch te vallen, werd teruggeketst en ik reed over hem heen en toen viel ik ook. Zijn motor begon te branden en lag nog een tijdje schoks­gewijs op z'n kant te draaien (met draaiend achterwiel). De hele ploeg renners kwam voor­bij tussen de brokstukken, polyester, dotten stro en weet ik wat al niet meer. Na wat pogin­gen om de voetsteun terug te trappen van mijn eigen motor (de rem bleef vast zitten), gaf ik de opgeraapte motor uit handen en doofde na wat probeersels het steeds erger wordende vuurtje; ik kreeg nog een partij bougievonken door m'n lichaam. De bochtencommissaris bleef maar met de vlag zwaaien en de geblesseerde rijder boog krimpend van de pijn over een stropak heen.
Twee keer kwamen de overige renners voorbij en toen was de rem van mijn motor los, de kuip scheef en het voorwiel krom, en ik ging weer op reis! Er waren nog vier ronden te rijden, toen er afgevlagd werd. De gevallen rijder had meerdere gebroken of gekneusde ribben, is achter de huizen langs geslopen, door de velden en uiteindelijk weer terugge­keerd, maar moest zes weken thuis rusten. Er waren toen nog drie manches te rijden per klasse en wat de 250 cc betreft, het werd eenmaal eerste en één of twee keer tweede, dat weet ik niet meer.

                                                     Halve-liters
Maar de 500 cc klasse was er ook nog. Na de training werd er een tandje groter gemomteerd en doorgaans maakte ik een zogenaamd pik-startje met behulp van een medecoureur uit een andere klasse; die zit dan op z'n hurken en geeft een duwtje extra (door de niet verstelbare ontsteking in combinatie met de close-versnel­lingsbak is de motor in je eentje niet te starten. Zeker niet als er op snelheid is afgegeard zoals hier). Wel moest ik dan halverwege aan de kant gaan staan, en zoals nu met de extra chicanes in de vorm van stropakken en zo. Dat deed me insluiten net achter wat later bleek de zesde, vijfde en vierde man. Ik had er eigenlijk gelijk voorbij gekund, maar de schrik zat er nog in; altijd voel je wel wat na een valpartijtje. Er kon niet meer gepasseerd worden en als aan een touwtje bleven we bij elkaar zitten. De tweede start werd het al een derde plek en de laatste ging best; heel goed zelfs. De tweede plaats en bij de prijsuitreiking weer niks. Niet regelmatig geweest, dus weer niets om mee naar huis te nemen. En de fanclub? Die was vol lof, denk er aan. Die avond hadden we nog een reuzefeest; de hele nacht ging de discodreun door en door. Daarbij nog karaoke-zang en om vier uur in de morgen nog een aantal gruwelijke knal­explosieven! Het leek of er lichtspoorkogels door de tent gingen.

                                            Opnieuw in Vlagtwedde
In 1996 ging ik weer naar Vlagtwedde en het was voor een buitenevenement goed weer; iets frisser tijdens de race was geen bezwaar. Op de heenreis nog bij een vriend aangegaan, G. van Baalen (oud Pionier-Motoren Club uit de Randstad) nu woonachtig te Ruinen (Dr). Dat was ook feest. De volgende dag onderweg rich­ting circuit dacht ik dat ik een hartinfarct kreeg. Wel tien minuten lang en niet stoppen, al keek ik doorlopend naar de vluchtstrook; je weet maar nooit. Met racemotoren op de kar
en dit erbij? Het kwam door de late avond; veel te druk en zo. Of ik onder de bakstenen geraakte; zó slecht was het nog niet eerder geweest. Wel vaker was er iets, van de school­banken, of hyperventilatie, en na doktersbe­zoekjes bleek het wat anders te zijn. Niet best, om een slang met een lantaarntje in te slikken! En in Vlagtwedde was het bestuur van de fanclub uiteen gegaan. Het was niet veel dat er overbleef, maar toch. Er werd weer voor de radio gesproken en overal op het circuit stond bij iedere bocht mijn naam op het wegdek, met allerlei leuzen. Dat was ook wat moois en na afloop was het weer feest.
De race, de 250 cc, nu slechts twee starts per klasse en het werd de eerste Demo (zo heet het) een tweede plaats. Vervolgens de 500 cc. De eerste start en de hele wedstrijd de vierde plek en tegen het einde viel er een en werd ik als derde afgevlagd.
Het was nog steeds gunstig voor me, er waren fans genoeg onder het talrijke publiek en ik zou eens wat laten zien! Allereerst, een plaatselijke favoriet en sponsor reed ook ergens mee op zijn 750 cc MV Agusta viercylinder en hij kwam te vallen. Helaas een gebroken been. Er kwam nog wat stagnatie, al was het niet daardoor dat de wedstrijdleiding besloot de 500 cc en de Ital-klasse samen te voegen. Wat een onvoorziene pech voor mij; dat betekende 50% minder kans om te scoren. Drommels nog aan toe, niet gunstig voor mij en wat zal ik uitkiezen? Na de training waren de achterremschoenen van de BSA nog verwisseld en ik nam de Aermacchi 250. Die kan ik sneller op gang krijgen en ik ging vooraan staan. Oh ja, altijd moesten er mensen klaar staan met motoren en een fles water. Onze klassen volgen elkaar op en graag sta ik op de eerste rij. Zo nu ook, als eerste de bocht door en zes ronden lang met de 250 vóór al het zware spul op kop gelegen! Echt waar, alles uit de kast en het eigenbouwseltje uit 1960 kreeg het te verduren of het een moderne tweet­akt was. Triumphs en Nortons er achter aan en een zwerm Italiaanse replica-racers. Een ronde later leek het of het vermogen afnam en het geluid werd ook anders, werd verteld na afloop. Er werd gepasseerd en toen vloog de bougie uit de cylinderkop. Dat zagen we pas bij het op de aanhanger plaatsen en er was géén totale verwoesting in het motortje! Maar de show was prachtig geweest en er was weer niets verdiend na de mooiste race van de dag.

           Regelmaat in de regen
Wat nu? 1997, hetzelfde verhaal; feest in Vlagtwedde en na afloop weer bij Baal geweest. Daar was een zogenaamd palingfeest; heel vermoeiend alles bij elkaar. Maar nu regende het af en toe. Zo was het droog en dan weer een natte boel. Even werd er zelfs een extra rust gehouden tijdens het evenement. En er werden extra chicanes geplaatst; dat wisten wij niet. Er vielen in twee ronden wel vijf renners! Uiteindelijk werden het na de regen toch nog
Piet en bakkenist J. Phillips duwen hun combinatie naar de startlijn tijdens de demo's van       
twee starts per klasse van slechts vier ronden. Plus de uitloopronde erbij, maar dan kan je alleen maar zwaaien naar de mensen. Er bleven maar drie ronden over om de regelmatigheid te klokken. Normaal rijd ik niet in de regen en glibberzooi. Er was olie opgeruimd door de brandweer en daar was alles spekglad gewor­den. Maar nu reed ik wel. Er moest gereden worden, daar kwamen wij voor. Eerst de Aermacchi en als eerste weg! Het werd met pijn en moeite de tweede plaats. De derde man die een Aermacchi reed was niet die van een paar jaar eerder, maar hij kwam op diverse stukken wel naast me rijden! Door de watertroep met straatvuil begon mijn gasschuif te klemmen; dan moet je gelijk stoppen. Door de liggende cylinderconstructie is dit type motor daar zeer gevoelig voor; ook ondanks de extra zeiltjes onder de tank. Maar goed, in de carburateur zit wel een goed passende gasschuif. Het werd de tweede plaats en de tweede Demo-race ook. En de man die het jaar eerder gevallen was met de 750 cc viercylinder MV Agusta blies nu zijn partijtje mee als extra show. In de derde ronde vloog hij mij met 200 km/h voorbij en de laat­ste ronde ging mijn voorrijder of koploper op hetzelfde stuk er ook aan. De MV was van achteren gestart en de helft van het bestuur wist het niet (het bestuur bestond uit twee man en een vrouw). De wedstrijdleider had doorlo­pend met de zwarte vlag gezwaaid, maar dat hielp niet. En het talrijke plaatselijke publiek was uitzinnig van enthousiasme. De baan was voor de helft droog en onder de bomen nat, maar voor mij de tweede plaats met beker en bloemen!


             De volhouder wint
In de Ital-klasse startte ik met een 250 cc. De eerste plek was voor J.Imminga op Ducati 250 cc. We zijn er nog niet: de 500 cc. Ook op een verraderlijke halfnatte baan. De eerste race tweede en in de tweede rit vloog een bougie uit de Norton Domi-racer die voor mij reed. Nortons zijn beter en zeker had het frame er
iets mee te maken. Twins zijn altijd al wat pret­tiger geweest en nu werd het een eerste plek met uitzinnig vreugdevol publiek dat weer terug was. Na afloop: Piet Kramer, de eerste prijs 500 cc-klasse met beker en bloemen!
Dat was dan in 1997, dertig jaar nadien dat ik beloond werd. Het kan even duren, maar volhouden helpt. Tegen acht uur werd het wat kouder en wij aten een patatje. De rust was al enige tijd teruggekeerd en een grote groep mensen was de straten aan het vegen. Plotseling werd . er over het feestterrein ontzettend keiharde eigentijdse housemuziek getest en dat had een soort in- of uitwerking op me, van: ik kom nu nooit meer terug. Mijn karwei is afge­maakt; het is over en af. En telkens als ik dat soort foltermuziek moet aanhoren, dan denk ik daaraan. Vlagtwedde, je was geweldig voor mij, maar het is voorbij. Maar niets is minder waar: nooit meer terug? Bij het wegrijden kwamen nog wat jongelui naar mij toe: `Meneer hoe vond u het hier; wij schrijven voor de school­krant'. Nou, zei ik, het Noorden is zo slecht nog niet en als de zon wat vaker scheen dan zou ik er best wel willen wonen.
Zijspannen
In 1998 kon ik nog kampioen worden bij de zijspannen, de derde keer op een rij. Een hattrick dus en zou dat niet leuk zijn? Dat dan met drie of vier verschillende bakkenisten, want we hoorden dat het laatste evenement geen doorgang zou vinden. Er was besloten om niet naar het kopje van Friesland te gaan aan het eind van het seizoen. Het betrof het evene­ment te Stiens en het werd teveel na al die races, een zomer lang. Dat met menigmaal hectische strijd op tal van circuits. Maar we behoefden nu alleen nog Vlagtwedde te doen en hier flink wat punten te vergaren. Het werd ons zogezegd in de schoot geworpen en de kans om te scoren was niet gering! In Vlagtwedde was sinds lange tijd weer de zijspanklasse toegevoegd. Wij hadden niet ingeschreven; ik belde op en was welkom. Mooi weer, de hele week al, en daar kwam het door. Ondanks de afspra­ken thuis er nogmaals op af. Ik kon overnach­ten bij mensen uit Gouda (ex-collega uit de staalfabriek) die nu in Veelerveen wonen, circa vijf kilometer verderop. Vrijdagmiddag om één uur vertrokken en onderweg nog twee bezoek­jes gedaan bij motormensen. In Veelerveen konden we de kermisgeluiden al horen. Mijn gastheer zal als bakkenist optreden, de eerste keer van zijn leven. De zijspanbak zat toch aan de gunstige buitenzijde en na een paar proefrit­ten door de Groninger Hooglanden gingen we naar het feestgedruis. Dat was toch fijn. Wat een aardige mensen zijn het daar. Hij kreeg meteen een lederen pak te leen van een oud­grasbaanrenner. Geweldig, alsof we wereld­kampioen waren; iedereen blij. Alleen een huilend meisje, helemaal overstuur was ze, met een sleuteltje in haar hand; dat had zij nog. Haar nieuwe fiets die op slot stond... ja hoor, gestolen. Dat hier ook al. Maar wij hadden de avond van ons leven en de volgende dag, de motorrace! Het ging allemaal redelijk goed na wat machinekeuringsperikelen en twee trainin­gen, en ik zei: het is best zo, sneller kan het niet met deze motorfiets. Er waren zeven zijspannen. Een ging er stuk en wij mochten twee ronden op kop rijden. Ons eigen tempo rijden, hoor. Zij die sneller waren kwamen voorbij (ik liet ze passeren volgens afspraak) en wij waren regelmatig, wat dacht je. Zo ook de tweede race: weer twee ronden op kop, zij er voorbij, en toen kregen wij een lekke achter­band! Gruwelijk aan toe. Weg kampioenschap en in de achterhand zat een gedeelte van een Norton- of Matchless-kettingwielborgplaat. Dat wij op die manier tot stilstand werden gedwon­gen; door een gebroken onderdeeltje van een Engelse motor nog wel. Maar toch was het een top-weekendje!
En hiermee zijn deze Groninger belevenissen aan een eind gekomen. Als een iets oudere man verliet ik Vlagtwedde.

Na het uitvallen niet het zijspan worden Piet (onder de strohoed) en bakkenist Phillips getroost door een rondemiss niet een flinke bos bloemen.
Foto's: Archief Piet Kramer
Zundapp