Motormerken
INDIAN

Board track races, (letterlijk vertaald: plank baan races, races dus die werden verreden op een houten baan), die tijdens het begin van deze eeuw in Amerika plaatsvonden, werden gekenmerkt door een keiharde mentaliteit. In de eerste plaats waren er de planken, die dikwijls wegrotten, zodat ze soms zelfs tijdens de race door het baanpersoneel ver-vangen moesten worden. Zo kon het gebeuren dat je als coureur met een snelheid van zo'n 130 km/uur de baan overscherend, in het midden van de baan plotseling het hoofd van een volijverige terreinknecht tussen de planken tevoorschijn zag komen.

Dan had je nog het verschijnsel „hooking", een geliefde racetechniek die doet denken aan het bij ijshockey bekende „body checking".' Je zorgde er voor dat je bij je tegenstander langszij kwam, en gaf hem dan een zodanige por in de lendenen dat hij voorlopig al z'n tuurmanskunst nodig had om niet op de ruwhouten planken te bellanden. Je liep daarbij wel het risico van diskwalificatie wanneer je gesnapt werd, .maar iedereen deed het toch sowieso.

De racerij ging „van dik hout zaagmet planken" in die dagen. Je wist nooit wat de organisatoren het volgende moment op touw zouden zetten 'om de ongelikte coureurs die niets of niemand ontzagen tot deelnérne te bewegen.

En in november 1913 in Phoenix Arizona gehouden race leferde 1000 dollar op aan diegene die de baan het snelst aflegde, hetzij per, vliegtuig, auto of motorfiets. Don Johns, op een Cyclone motorrijwiel, liet Barney Oldfield's automobiel en Lincoln Beachy's vliegtuig achter zich, om zodoende de prijs op te strijken, terwijl hij het bewijs leverde dat de motorfiets in die dagen nog, Koning van de weg was.

Motorcoureurs waren ijzeren mannen die op ijzeren strijdrossen reden. Ze kauwden pruimtabak en droegen vetsnorren, bolhoeden en bretels.

Ze kregen bijnamen, zoals „Mile-a-Minute, Skinny Collings, Dud Perkins, Crazy Horse, Verill, Charless, Balke en Cannonballo Baker.

De wedstrijdbanen zijn nu verdwenen, maar eens waren het arena's voor grote motorsportevenementen, in steden als San Bernadino, Bakers-field, Dodge City, Stockton en St. Louis. Enkele van de wedstrijdbanen, zoals Ascot Park in Los Angeles, zijn nog steeds in gebruik, alhoewel de houten vloeren reeds lang verdwenen zijn. Ook de machines waarop werd gereden vormen een stukje historie! op zich, alhoewel er toen al een veelvoud van bekende merken op de markt was, waaronder Harley-Davidson, Excelsior, Thor, Cyclone' Flying Merkle, Pope en ook Indien. Waaraan was een typische board track racer te herkennen? Wel, naar de huidige maatstaven gerekend zou je, bijna denken dat het fietsen waren in plaats van motorfietsen, dit vanwege de smalle wielen en banden. Maar ze stuurden zeer scherp dankzij enkele door de rijders aangebrachte wijzigingen. Volgens Bob Stark, eigenaal van een zaak in Anaheim-Californië, waar deze Indian werd gerestaureerd waren de machines uitgerust met een carburateur met slechts twee standen, nl. dicht en hellmaal open. Er was geen gashandel aanwezig, slechts een vleugelmoer opzij van de carburateur. Wanneer de rijder deze één keer had open getikt, dan accellereerde hij meteen volgas van de startlijn.

Goed, daar reed je dan volgas en al slippend je rondjes — maar hoe kwam je tot stilstand? Dat gebeurde middels een kortsluitschakelaar „killswitch", die in de meeste gevallen bestond uit een oud ijzerzaagblad en isolatieband.

Dit „solide" geheel werd met de magneet verbonden. De enigste vlieg in de soep, om het zo te zeggen, kon worden gevormd door een kluit modder, die zich vastzette tussen „killswitch" en magneet, zodat de motor niet kon worden gesmoord, met als resultaat dat de rijder z'n snelheid niet kon verminde-ren. Veel rijders ontdekten dan ook meestal het grote nadeel van board tracks. Je kon er een paar fikse splinters aan

overhouden.

In 1916 werd het eéncilinder H-model van Indian met bovenligende nokkenas verkocht voor de nieuwprijs van 300 dollar met een cilinderinhoud van 30,5 inch (499,8 cc) ontwikkelde de motor een slordige 35 pk.

De oliepomp werd door een wormwiel aan gedreven en er was in een extra hendelbediende pomp voorzien, die in geval van te weinig capasiteit of eventuele storingen toch aan de smeringsbehoefte kon vol doen.


Het frame bestond uit robuust bemeten, chroom-vanadium stalere buis met gesmede verbindingstukken. Een wiegframe behoorde tot de standaarduitrusting en een versterkte achtervork was eventueel als extra verkrijgbaar.

De remmen waren destijds niet veel zaaks. Er was alleen een hanbendiende trommelrem in het achterwiel aan boord en deze liet het een ander te wensen over. Efficienter waren een paar schoenen met stalen neuzen waarmee de combinatie van machine en rijder tot stilstand werd gebracht. In 1916 waren de Indians motorisch op veel punten volledig gewijzigd, met uitzondering van de racemodellen. De geroemde betrouwbaarheid en goede prestaties bleven gehandhaafd, en dus kreeg het oude basis ontwerp de benaming „Special Indian En-gine".

Coureurs verwijderden ook de pedalen die „burgers" gebruikten om de fiets te starten, en monteerden clip-ons in plaats van het hoge

stuur. Een kleplichter was een „must" op deze machines, anders waren ze namelijk niet aan de praat te krijgen. Dankzij de genialiteit van Ralph Castor, die de restauratie van dit H-model leidde, kwam er, een voetbediende kleplichter uit de bus, die het starten en het berijden van de machine vergemakelijkte.

De eencilinder was neit de snelste Indien racer, want Indian had ook een 61 inch 3 1000 cc twin, die er zo'n 50 pk uitpomte. Deze twin onderging een serie verbeteringen en bleef in produkie tot 1953, toen de laatste Indian twin de deuren van de fabriek in Sprinfield, Massachuisetts uitrolde.

De board tracks verdwenen tijdens de tweede wereldorlog, en naa de invasie van sterk concureren buitenlandse motoren.

De beste coureurs stapten over naar de autoracerij ,— zials bijvoorbeeld Cpnnonball Baker, die diverse recorts vestigde. De beste fietsen Werden opgeborgen, om een halve eeuw later voor resteuratie in zaken als die van Bob Stark weer te voorzchijn te komen.